De Taj Mahal is een 17e eeuws bouwwerk in de Noord-Indiase stad
Agra (Uttar Pradesh). Het is een mausoleum dat tussen 1631 en 1648
tot stand kwam in opdracht van de Indiase grootmogol Shah Jahan,
als grafmonument voor zijn hoofdechtgenote Mumtaz Mahal, die in
1631 in het kraambed overleed. Later werd ook zijn eigen lichaam
erin bijgezet. Het wordt door velen beschouwd als een van de niet-klassieke
wereldwonderen en het is een van de bekendste gebouwen op de Werelderfgoedlijst
van de UNESCO, waar het sinds 1983 op staat. Sinds 8 juli 2007 is
het één van de "Nieuwe" wereldwonderen.
Het gebouw is het hoogtepunt van de mogoel-architectuur, een mengvorm
van islamitische en hindoe-architectuur.

De Taj Mahal is 58 m hoog en 56 m breed en staat op een 10.000
m² groot marmeren platform. Voor het gebouw bevindt zich een
uitgestrekte tuin, waarin zich een langgerekt waterbekken bevindt.
Het volkomen symmetrische gebouw bestaat uit wit marmer en is rijk
versierd met ingelegde stenen. De vier minaretten op de hoeken zijn
van later datum en zijn licht gebogen, zodat ze bij een aardbeving
niet op het hoofdgebouw vallen. Aan de naar Mekka gerichte westzijde
bevindt zich een moskee en aan de oostkant als tegenhanger ervan
een gastenverblijf.
Jean-Baptiste Tavernier zorgde voor de mythe dat het oorspronkelijk
de bedoeling was dat aan de overkant van de rivier de Yamuna nog
een tweede mausoleum van zwart marmer zou verrijzen, bedoeld voor
de grootmogol zelf, maar dat dit nooit tot stand is gekomen omdat
Shah Jahan in 1666 in gevangenschap stierf. Hij werd in dat jaar
in de Taj Mahal bijgezet.
Vorige |